Engelse onregelmatige werkwoorden: de basis
Flashcards met 26 veelgebruikte Engelse onregelmatige werkwoorden: voorkant het Nederlandse werkwoord, achterkant de drie vormen met een voorbeeldzin. Handig voor de onderbouw.
Flashcardset26 kaartenBeginnerSchool
Flashcards met 26 basiswoorden Frans: voorkant het Nederlandse woord, achterkant het Franse woord met lidwoord, een voorbeeldzin en soms een tip. Handig voor de brugklas en de onderbouw.
Gratis te gebruiken, bewerken, afdrukken en mee te leren. Geen account nodig: je set blijft op dit apparaat.
la maison
Ma maison est grande.
La is vrouwelijk, daarom krijgt grande een -e.
l'école (v)
Je vais à l'école à pied.
Voor een klinker worden le en la samen l'. Leer het geslacht mee: une école.
le livre
Le livre est sur la table.
l'ami (m) / l'amie (v)
C'est mon amie Sophie.
Voor een klinker zeg je mon, ook bij een vrouwelijk woord: mon amie.
la mère
Ma mère s'appelle [naam].
le père
Mon père travaille à Lyon.
le frère
J'ai un frère et une sœur.
la sœur
Ma sœur a douze ans.
In het Frans heb je jaren: avoir douze ans.
le garçon
Le garçon joue au foot.
la fille
La fille lit un livre.
La fille betekent ook de dochter.
le chien
Le chien est noir.
le chat
Le chat dort sur le lit.
De t aan het eind spreek je niet uit.
l'eau (v)
Je bois de l'eau.
Eau is vrouwelijk: une eau, de l'eau.
le pain
Je mange du pain le matin.
Du is de + le: een onbepaalde hoeveelheid brood.
le fromage
J'aime le fromage.
la pomme
Une pomme, s'il vous plaît.
La pomme de terre is de aardappel.
la porte
Ferme la porte, s'il te plaît.
la fenêtre
Ouvre la fenêtre.
la voiture
La voiture est rouge.
le vélo
Mon vélo est neuf.
la ville
Paris est une grande ville.
la rue
J'habite dans cette rue.
le jour
Il y a sept jours dans une semaine.
la semaine
La semaine prochaine, j'ai un examen.
le soleil
Le soleil brille aujourd'hui.
Let op: de maan is juist vrouwelijk, la lune.
le professeur / la professeure
Le professeur explique la leçon.
In de spreektaal zeg je vaak le prof of la prof.
Deze set bevat 26 Franse basiswoorden die je in de brugklas en de eerste jaren van het voortgezet onderwijs steeds weer tegenkomt: familie, dieren, eten, dingen in huis, de stad en de tijd. Op de voorkant staat het Nederlandse woord. Op de achterkant vind je het Franse woord altijd met het lidwoord erbij, een korte voorbeeldzin en bij lastige woorden een tip. Dat lidwoord is belangrijk. In het Frans is elk zelfstandig naamwoord mannelijk (le, un) of vrouwelijk (la, une), en dat geslacht bepaalt hoe je de rest van de zin schrijft, bijvoorbeeld of een bijvoeglijk naamwoord een -e krijgt. Het geslacht komt vaak niet overeen met het Nederlands, zoals bij het huis en la maison. Leer daarom nooit alleen maison, maar altijd la maison. Begint een woord met een klinker, zoals école of eau, dan staat er l' en zie je het geslacht niet; daarom staat er bij die woorden (m) of (v). Gebruik de Studeermodus, dan komen kaartjes die je al goed kent minder vaak terug en kaartjes die je lastig vindt juist vaker. Dat heet gespreide herhaling (spaced repetition) en het werkt beter dan een woordenlijst de avond voor de overhoring tien keer doorlezen. Liever op papier? Print dubbelzijdig, dan staat het antwoord precies achter de vraag.
Bijgewerkt op 28 oktober 2026