Naar de hoofdinhoud
EasyPalmCards

Flashcardset26 kaartenBeginnerSchool

Franse woordjes leren: de basis

Flashcards met 26 basiswoorden Frans: voorkant het Nederlandse woord, achterkant het Franse woord met lidwoord, een voorbeeldzin en soms een tip. Handig voor de brugklas en de onderbouw.

Dit sjabloon gebruiken Nu leren

Gratis te gebruiken, bewerken, afdrukken en mee te leren. Geen account nodig: je set blijft op dit apparaat.

De kaarten, voor- en achterkant

  1. 1
    Front

    het huis

    Achterkant

    la maison

    Ma maison est grande.

    La is vrouwelijk, daarom krijgt grande een -e.

  2. 2
    Front

    de school

    Achterkant

    l'école (v)

    Je vais à l'école à pied.

    Voor een klinker worden le en la samen l'. Leer het geslacht mee: une école.

  3. 3
    Front

    het boek

    Achterkant

    le livre

    Le livre est sur la table.

  4. 4
    Front

    de vriend / de vriendin

    Achterkant

    l'ami (m) / l'amie (v)

    C'est mon amie Sophie.

    Voor een klinker zeg je mon, ook bij een vrouwelijk woord: mon amie.

  5. 5
    Front

    de moeder

    Achterkant

    la mère

    Ma mère s'appelle [naam].

  6. 6
    Front

    de vader

    Achterkant

    le père

    Mon père travaille à Lyon.

  7. 7
    Front

    de broer

    Achterkant

    le frère

    J'ai un frère et une sœur.

  8. 8
    Front

    de zus

    Achterkant

    la sœur

    Ma sœur a douze ans.

    In het Frans heb je jaren: avoir douze ans.

  9. 9
    Front

    de jongen

    Achterkant

    le garçon

    Le garçon joue au foot.

  10. 10
    Front

    het meisje

    Achterkant

    la fille

    La fille lit un livre.

    La fille betekent ook de dochter.

  11. 11
    Front

    de hond

    Achterkant

    le chien

    Le chien est noir.

  12. 12
    Front

    de kat

    Achterkant

    le chat

    Le chat dort sur le lit.

    De t aan het eind spreek je niet uit.

  13. 13
    Front

    het water

    Achterkant

    l'eau (v)

    Je bois de l'eau.

    Eau is vrouwelijk: une eau, de l'eau.

  14. 14
    Front

    het brood

    Achterkant

    le pain

    Je mange du pain le matin.

    Du is de + le: een onbepaalde hoeveelheid brood.

  15. 15
    Front

    de kaas

    Achterkant

    le fromage

    J'aime le fromage.

  16. 16
    Front

    de appel

    Achterkant

    la pomme

    Une pomme, s'il vous plaît.

    La pomme de terre is de aardappel.

  17. 17
    Front

    de deur

    Achterkant

    la porte

    Ferme la porte, s'il te plaît.

  18. 18
    Front

    het raam

    Achterkant

    la fenêtre

    Ouvre la fenêtre.

  19. 19
    Front

    de auto

    Achterkant

    la voiture

    La voiture est rouge.

  20. 20
    Front

    de fiets

    Achterkant

    le vélo

    Mon vélo est neuf.

  21. 21
    Front

    de stad

    Achterkant

    la ville

    Paris est une grande ville.

  22. 22
    Front

    de straat

    Achterkant

    la rue

    J'habite dans cette rue.

  23. 23
    Front

    de dag

    Achterkant

    le jour

    Il y a sept jours dans une semaine.

  24. 24
    Front

    de week

    Achterkant

    la semaine

    La semaine prochaine, j'ai un examen.

  25. 25
    Front

    de zon

    Achterkant

    le soleil

    Le soleil brille aujourd'hui.

    Let op: de maan is juist vrouwelijk, la lune.

  26. 26
    Front

    de leraar / de lerares

    Achterkant

    le professeur / la professeure

    Le professeur explique la leçon.

    In de spreektaal zeg je vaak le prof of la prof.

Zo gebruik je dit sjabloon

Deze set bevat 26 Franse basiswoorden die je in de brugklas en de eerste jaren van het voortgezet onderwijs steeds weer tegenkomt: familie, dieren, eten, dingen in huis, de stad en de tijd. Op de voorkant staat het Nederlandse woord. Op de achterkant vind je het Franse woord altijd met het lidwoord erbij, een korte voorbeeldzin en bij lastige woorden een tip. Dat lidwoord is belangrijk. In het Frans is elk zelfstandig naamwoord mannelijk (le, un) of vrouwelijk (la, une), en dat geslacht bepaalt hoe je de rest van de zin schrijft, bijvoorbeeld of een bijvoeglijk naamwoord een -e krijgt. Het geslacht komt vaak niet overeen met het Nederlands, zoals bij het huis en la maison. Leer daarom nooit alleen maison, maar altijd la maison. Begint een woord met een klinker, zoals école of eau, dan staat er l' en zie je het geslacht niet; daarom staat er bij die woorden (m) of (v). Gebruik de Studeermodus, dan komen kaartjes die je al goed kent minder vaak terug en kaartjes die je lastig vindt juist vaker. Dat heet gespreide herhaling (spaced repetition) en het werkt beter dan een woordenlijst de avond voor de overhoring tien keer doorlezen. Liever op papier? Print dubbelzijdig, dan staat het antwoord precies achter de vraag.

Tips

  • Zeg het Franse woord elke keer hardop met het lidwoord ervoor, als één geheel: la maison, le livre. Zo onthoud je het geslacht vanzelf.
  • Schrijf het antwoord op voordat je het kaartje omdraait; bij een overhoring moet je de spelling ook kennen, inclusief accenten zoals in fenêtre en école.
  • Oefen elke dag tien minuten in plaats van één keer een uur, en begin met de kaartjes die vandaag herhaald moeten worden.
  • Maak met elk woord een eigen zin over je eigen leven, bijvoorbeeld over [je huisdier] of [je straat]; dat blijft beter hangen dan een losse vertaling.
  • Let op de uitspraak: veel medeklinkers aan het eind van een woord spreek je niet uit, zoals de t in chat en de d in pied.
  • Draai de set om als je de voorkant goed kent: kijk naar het Franse woord en zeg wat het in het Nederlands betekent.
  • Leg kaartjes die je steeds fout hebt op een apart stapeltje en neem dat nog één keer door voor je gaat slapen.

Laten passen

  • Voor groep 8 of de eerste weken van de brugklas kun je met de eerste tien kaartjes beginnen en de rest later toevoegen.
  • Heb je een overhoring uit je lesboek? Voeg de woorden uit dat hoofdstuk toe in hetzelfde formaat: Nederlands op de voorkant, Frans met lidwoord op de achterkant.
  • Wil je ook werkwoorden oefenen? Maak kaartjes met het hele werkwoord op de voorkant en de vervoeging in de tegenwoordige tijd op de achterkant, bijvoorbeeld être en avoir.
  • Voor havo of vwo in de bovenbouw kun je thema's toevoegen die bij het examen horen, zoals werk, milieu of media.
  • In Vlaanderen begin je vaak al op de basisschool met Frans; gebruik dan de woorden uit je eigen methode en houd de voorbeeldzinnen kort.
  • Leer je Duits? Maak dezelfde soort set met der, die en das, want ook daar leer je het lidwoord altijd mee.

Bijgewerkt op 28 oktober 2026