Bij een schriftelijke toets heb je tijd om na te denken. Bij een mondeling zit er iemand tegenover je die een vraag stelt en op je antwoord wacht. Daarom voelt een mondeling voor veel leerlingen en studenten spannender. Het goede nieuws: je kunt het trainen. Wie de stof in kleine stukjes heeft geordend en die stukjes een paar keer hardop heeft uitgelegd, zit veel rustiger op die stoel. In deze gids lees je hoe je dat aanpakt met steekkaarten en flashcards.
Welke mondelingen zijn er?
Op de middelbare school in Nederland heb je vaak een mondeling bij de moderne vreemde talen: een mondeling Engels, Frans of Duits, soms over gelezen boeken of artikelen, soms als gesprek over een onderwerp. Bij Nederlands is het literatuurlijst-mondeling bekend, waarin je vertelt over de boeken die je hebt gelezen. Veel van deze mondelingen tellen mee voor je schoolexamen. In Vlaanderen en in het hoger onderwijs ken je vooral het mondeling examen: je krijgt een of meer vragen, soms met wat voorbereidingstijd, en legt je antwoord uit aan de docent.
Hoe het precies gaat, verschilt per school, opleiding en docent. De aanpak in deze gids werkt voor al die varianten, omdat hij draait om twee dingen: de stof kennen en hem hardop kunnen uitleggen.
Wat mag je meenemen?
Dit is de belangrijkste vraag, en het antwoord verschilt sterk. Bij sommige mondelingen mag je een paar steekkaarten of een lijstje met je boeken en kopjes meenemen. Bij andere mag je niets op tafel hebben, of alleen wat je in de voorbereidingstijd zelf opschrijft. Vraag het daarom altijd vooraf aan je docent, of kijk in je PTA, het examenreglement of de studiewijzer. Neem nooit zomaar een spiekbriefje mee als dat niet is afgesproken: dan riskeer je meer dan alleen een lager cijfer.
Mag je niets meenemen? Maak de kaartjes toch. Het opschrijven van de kern in een paar woorden is een van de beste manieren om de stof te onthouden. Je oefent ermee, en laat ze thuis.
Een planning in drie weken
- Week 1: ordenen Verzamel je aantekeningen, boekverslagen en de lijst met onderwerpen. Maak per boek, onderwerp of vraag één of een paar steekkaarten.
- Week 2: leren Zet feiten, namen, jaartallen en woordjes op flashcards en oefen elke dag de kaarten die aan de beurt zijn.
- Week 3: hardop Leg elk onderwerp hardop uit met je steekkaarten en de timer. Laat iemand anders vragen stellen.
- De dag ervoor: rustig herhalen Loop je kaarten nog één keer door, slaap op tijd en leer niets nieuws meer.
Heb je minder tijd, maak de stappen dan korter, maar sla het hardop oefenen niet over. Juist daar merk je wat je nog niet goed kunt uitleggen.
Mondeling Engels, Frans of Duits
Bij een mondeling in een vreemde taal let de docent op wat je zegt en op hoe je het zegt. Zet op je steekkaarten steekwoorden in de taal van het mondeling, niet in het Nederlands, zodat je niet tijdens het praten hoeft te vertalen. Maak daarnaast flashcards met handige zinnen: hoe je een mening geeft, hoe je het oneens bent, hoe je om herhaling vraagt en hoe je tijd wint als je even moet nadenken. Zulke zinnen zijn goud waard als je ineens iets onverwachts krijgt.
Oefen ook met vragen die je niet hebt voorbereid. Een mondeling is een gesprek, geen voordracht. Laat een ouder, klasgenoot of vriend een paar vragen bedenken en antwoord in de vreemde taal, ook als het niet perfect gaat. Hoe meer je praat, hoe vlotter het wordt. Ondersteunt je browser het, in het Nederlands of in de taal van je mondeling, dan kan de oefencoach meeluisteren op je eigen apparaat: hij laat zien welke woorden je al hebt gezegd en telt stopwoordjes, zonder geluid op te nemen of te versturen.
Literatuurlijst-mondeling Nederlands
Bij een literatuurmondeling wil je docent horen dat je de boeken echt hebt gelezen en erover kunt nadenken. Maak per boek een klein setje steekkaarten: een kaart met titel, schrijver, jaar en waarom je het koos; een kaart met het thema en een voorbeeldscène; een kaart over perspectief, tijd en opbouw; en een kaart met je eigen mening, inclusief iets wat je minder goed vond. Een vergelijking met een ander boek van je lijst laat zien dat je verder kijkt dan één verhaal.
Begrippen zoals motief, perspectief, flashback of open einde zet je op flashcards. Dan kun je ze op het moment zelf zonder nadenken gebruiken.
Steekkaarten voor je antwoorden
Plak je samenvattingen of boekverslagen in de editor van EasyPalmCards en ze worden slim verdeeld over kaartjes, bij voorkeur aan het eind van een zin. Daarna maak je er per kaart een paar steekwoorden van. Eén idee per kaart, groot geschreven, genummerd. Print ze op A4 en knip ze uit, of kies een kaartformaat als A6 of A7 voor één kaart per vel op stevig papier.
Wat je niet op de kaart zelf wilt, zoals een extra citaat of een tweede voorbeeld, zet je in de sprekersnotities. Die zie je tijdens het oefenen onder de kaart, maar ze worden nooit geprint. Meer over het maken en printen van kaartjes lees je op de pagina over presentatiekaartjes.
Flashcards voor feiten en woordjes
Steekkaarten helpen je vertellen, flashcards helpen je onthouden. Zet woordjes, begrippen, namen en jaartallen op flashcards met een vraag op de voorkant en het antwoord op de achterkant. Oefen ze online met Leren, Toets en Koppelen: de herhaling op het juiste moment laat je elke dag alleen de kaarten zien die aan de beurt zijn. Of print ze dubbelzijdig op A4. Heb je je woordjes al in Quizlet, Anki of een spreadsheet, dan importeer je ze. Alles daarover lees je bij flashcards.
Hardop oefenen met de timer
Hardop oefenen is het stuk dat de meeste mensen overslaan, en het stuk dat het meeste oplevert. In de oefenstand zie je je steekkaarten één voor één op het hele scherm, met een timer en je spreektempo. Pak een kaart, leg het onderwerp in een of twee minuten uit en ga door naar de volgende. Waar je hapert, weet je het nog niet goed genoeg: zet daar een extra flashcard voor.
Wissel de volgorde af, zodat je niet alleen een vast rijtje leert. Op een mondeling bepaalt de docent waar het gesprek heen gaat. Lees voor meer tips over voor een groep staan ook de gids over de spreekbeurt; veel van wat daar over rustig praten en de klas aankijken staat, werkt ook aan tafel tegenover een docent.
Op de dag zelf
- Herhaal, leer niets nieuws. Loop je kaarten rustig door, liefst niet tot op het laatste moment.
- Neem alleen mee wat mag. Twijfel je, laat het dan thuis of vraag het voordat het mondeling begint.
- Neem de tijd. Even nadenken voor je antwoord is normaal. Een zin als: goede vraag, even denken, geeft je rust.
- Weet je iets niet? Zeg wat je wel weet en bouw daarop verder. Dat laat meer zien dan stil blijven.
Alles wat je hiervoor nodig hebt is gratis en werkt zonder account. Wil je je sets online bewaren, delen met je studiegroep of je leervoortgang op al je apparaten hebben, kijk dan op de pagina prijzen. Docenten kunnen sets met hun leerlingen delen via een klas. En wil je niet met een lege set beginnen, kies dan een van de sjablonen.
