Je hebt je tekst af, je weet ongeveer wat je wilt zeggen, en dan komt het lastigste stuk: hoe zorg je dat je voor de klas niet alles van een vel staat voor te lezen? Het antwoord is al jaren hetzelfde: presentatiekaartjes. Een paar kaartjes met steekwoorden in je hand geven houvast, zonder dat je blijft hangen in lange zinnen. Met EasyPalmCards maak je ze online in een paar minuten, en print je ze netjes uit in plaats van ze met de hand over te schrijven.
Wat zijn presentatiekaartjes?
Presentatiekaartjes, spreekkaartjes of spiekkaartjes: in Nederland hebben ze veel namen. In Vlaanderen spreek je meestal van steekkaarten. Het idee is overal gelijk. Op elk kaartje staat één deel van je verhaal, in een paar woorden of een korte zin. Tijdens het praten kijk je even naar het kaartje, pak je de draad weer op en kijk je dan weer naar je publiek. Zo klink je alsof je vertelt, niet alsof je voorleest.
Kaartjes zijn handig bij een spreekbeurt in groep 7 of 8, een boekbespreking of werkstukpresentatie op de middelbare school, een mondeling, een presentatie op het mbo, hbo of de universiteit, en net zo goed bij een toespraak op een bruiloft of een praatje op je werk. Overal waar je wilt praten met een geheugensteun in je hand.
Zo maak je ze in vier stappen
- Plak je tekst Kopieer je tekst uit Word, Google Docs of Pages, of uit een PDF, en plak hem in de editor. Koppen, vet en opsommingen blijven zo goed mogelijk staan.
- Laat hem slim verdelen De editor vult elk kaartje tot het gekozen formaat en gaat dan door naar het volgende. Hij knipt bij voorkeur aan het eind van een zin of alinea, niet midden in een gedachte.
- Schuif en schaaf Zet een regel op het volgende kaartje, voeg een vaste kaartgrens toe of voeg twee korte kaartjes samen. Je kunt kaartjes ook verslepen om de volgorde te veranderen.
- Print of oefen Print meerdere kaartjes per A4-vel, of oefen eerst met de timer en het volledige scherm, zodat je de eerste keer met je kaartjes niet pas voor de klas staat.
Heb je nog geen tekst? Begin dan met een van de sjablonen. Je krijgt meteen een opbouw met een opening, een kern en een slot, en vervangt de voorbeeldtekst door je eigen verhaal.
Wat zet je op een kaartje?
Een goed presentatiekaartje is een geheugensteun, geen verkleinde versie van je hele tekst. De belangrijkste regel: één idee per kaartje. Bovenaan een korte titel, zodat je altijd weet waar je bent. Daaronder een paar steekwoorden, of hooguit één zin die je precies zo wilt zeggen.
- Nummer je kaartjes. Valt je stapeltje op de grond, dan heb je het in een paar seconden weer op volgorde.
- Schrijf groot. Kun je het kaartje niet lezen als je het op ongeveer borsthoogte houdt, dan is de letter te klein.
- Steekwoorden, geen hele zinnen. Schrijf alleen uit wat precies moet kloppen: je eerste zin, een citaat, een jaartal of een getal.
- Regieaanwijzingen tussen haken, zoals [PAUZE], [LANGZAAM] of [DIA 4], helpen je om rustig te blijven, ook als je zenuwachtig bent.
- Alleen de voorkant. Kaartjes omdraaien terwijl iedereen kijkt, is een manier om de draad kwijt te raken.
Wat je er niet op kwijt kunt, zet je in de sprekersnotities van een kaartje. Die zie je tijdens het oefenen en presenteren onder het kaartje staan, maar ze worden nooit geprint of in een PDF gezet. Zo blijft het kaartje zelf rustig en overzichtelijk.
Spiekbriefje maken: kan dat?
Veel mensen zoeken op spiekbriefje maken als ze eigenlijk een geheugensteun voor een presentatie of mondeling bedoelen. Daar is deze tool precies voor: een klein, overzichtelijk briefje met je steekwoorden, netjes geprint in plaats van gekrabbeld. Een spiekbriefje voor een schriftelijke toets is iets anders. Dat is gewoon niet toegestaan, en daar helpen we je ook niet mee.
Twijfel je of je bij een mondeling of presentatie een kaartje mag gebruiken? Vraag het vooraf aan je docent. Soms mag je een paar kaartjes meenemen, soms alleen een lijstje met kopjes, soms niets. Ook als je niets mag meenemen, is het maken van kaartjes nuttig: door je verhaal in stukjes op te schrijven, onthoud je het veel beter. Lees meer in de gids over je mondeling voorbereiden.
Printen op A4 of op karton
Standaard gebruikt de editor A4, het papier van bijna elke printer thuis, op school of in de bibliotheek. Je kiest hoeveel kaartjes er op een vel komen: twee per vel geeft ongeveer A5, vier per vel ongeveer A6. Elk kaartje past zich aan het printbare deel van het vel aan, en je knipt langs de lijnen.
Wil je stevigere kaartjes? Kies dan een kaartformaat zoals A6, A7, 3×5 of 4×6 inch. Dan komt er één kaartje per vel uit je printer, handig voor systeemkaarten of dun karton als je printer dat aankan. Anders print je op gewoon papier en plak je de kaartjes op karton. Dikker papier helpt als je handen een beetje trillen: het kaartje buigt minder en je ziet de beweging minder.
Print altijd op 100 procent of werkelijke grootte. Kiest de printer zelf voor passend maken, dan verschuiven de knipranden.
Wil je de kaartjes er anders uit laten zien? In het ontwerppaneel kies je een thema en een leesstand, zoals grote letters, een stand die prettiger leest bij dyslexie of hoog contrast. De leesstanden zijn gratis, net als de thema’s Klassiek, Strak en Systeemkaart.
Oefenen met dezelfde kaartjes
Veel mensen oefenen hun verhaal door de tekst op een scherm te lezen, en pakken pas op de dag zelf hun kaartjes. Dat is zonde. In de oefenstand zie je je echte kaartjes, één voor één en schermvullend, met een timer en je spreektempo in woorden per minuut. Struikel je over een kaartje, dan pas je het meteen aan in de editor.
Ondersteunt je browser het, in het Nederlands of bijvoorbeeld in het Engels, Frans of Duits, dan kan de oefencoach ook meeluisteren, helemaal op je eigen apparaat. Hij laat zien welke woorden je al hebt gezegd, telt stopwoordjes en geeft na afloop een korte samenvatting. Er wordt geen geluid opgenomen of verstuurd. Werkt meeluisteren niet in jouw browser of taal, dan oefen je gewoon met de timer.
Ook flashcards maken en printen
Moet je naast je presentatie ook nog woordjes of begrippen leren? Zet je set dan om naar flashcards: een vraag op de voorkant, het antwoord op de achterkant. Je oefent ze op het scherm met Leren, Toets en Koppelen, met herhaling op het juiste moment, of je print ze dubbelzijdig zodat elk antwoord precies achter zijn vraag valt. Alles daarover lees je op de pagina over flashcards maken.
Wat is gratis, wat is Gold
Het belangrijkste is gratis: het slim verdelen, de editor, printen, de flashcardmodus, oefenen met de timer en de gratis tools. Je hebt er niet eens een account voor nodig.
Gold is bedoeld voor wie vaker kaartjes maakt. Je bewaart je sets in een bibliotheek, deelt ze met een link met je groepje, exporteert de volledige PDF, ziet je oefengeschiedenis met feedback, krijgt meer AI en gebruikt de site zonder advertenties. Gold bestaat als maand- of jaarabonnement, als jaarabonnement voor studenten, als pas voor 7 of 30 dagen en als Lifetime met één betaling, en je kunt het eerst gratis proberen. De prijzen in jouw valuta staan op de pagina prijzen. Staat je presentatie volgende week al gepland, dan is een korte pas vaak genoeg.
Ben je docent en wil je kaartjes of flashcards met je leerlingen delen? Maak dan een klas aan. En moet je binnenkort voor de klas staan, lees dan ook hoe je een spreekbeurt houdt, van onderwerp tot slot.
