Naar de hoofdinhoud
EasyPalmCards

Flashcardset26 kaartenBeginnerSchool

Engelse onregelmatige werkwoorden: de basis

Flashcards met 26 veelgebruikte Engelse onregelmatige werkwoorden: voorkant het Nederlandse werkwoord, achterkant de drie vormen met een voorbeeldzin. Handig voor de onderbouw.

Gratis te gebruiken, bewerken, afdrukken en mee te leren. Geen account nodig: je set blijft op dit apparaat.

De kaarten, voor- en achterkant

  1. 1
    Front

    zijn

    Achterkant

    be – was/were – been

    I was at home, but I have been to London twice.

    Was bij I, he, she en it; were bij you, we en they.

  2. 2
    Front

    hebben

    Achterkant

    have – had – had

    We had pizza yesterday.

  3. 3
    Front

    doen

    Achterkant

    do – did – done

    She did her homework after dinner.

  4. 4
    Front

    gaan

    Achterkant

    go – went – gone

    They went to the beach last summer.

    Have been: je bent ergens geweest en weer terug; have gone: je bent er nog.

  5. 5
    Front

    komen

    Achterkant

    come – came – come

    He came home late.

    Het voltooid deelwoord is gelijk aan het hele werkwoord.

  6. 6
    Front

    zien

    Achterkant

    see – saw – seen

    I saw a great film last week.

  7. 7
    Front

    nemen, pakken

    Achterkant

    take – took – taken

    Who took my pen?

  8. 8
    Front

    geven

    Achterkant

    give – gave – given

    My aunt gave me a book.

  9. 9
    Front

    maken

    Achterkant

    make – made – made

    We made a cake for her birthday.

  10. 10
    Front

    zeggen

    Achterkant

    say – said – said

    He said nothing.

    Said spreek je uit als 'sed'.

  11. 11
    Front

    weten, kennen

    Achterkant

    know – knew – known

    I knew the answer.

    De k spreek je niet uit.

  12. 12
    Front

    denken

    Achterkant

    think – thought – thought

    I thought it was Monday.

  13. 13
    Front

    kopen

    Achterkant

    buy – bought – bought

    She bought new shoes.

    Let op: bought (kopen) en brought (brengen) lijken op elkaar.

  14. 14
    Front

    brengen

    Achterkant

    bring – brought – brought

    Can you bring your laptop?

  15. 15
    Front

    vinden

    Achterkant

    find – found – found

    I found my keys under the sofa.

    Vinden in de zin van een mening hebben is think, niet find.

  16. 16
    Front

    eten

    Achterkant

    eat – ate – eaten

    We ate at a restaurant.

  17. 17
    Front

    drinken

    Achterkant

    drink – drank – drunk

    Have you drunk enough water today?

  18. 18
    Front

    schrijven

    Achterkant

    write – wrote – written

    She has written three letters.

    Written schrijf je met dubbel t.

  19. 19
    Front

    lezen

    Achterkant

    read – read – read

    I read that book last year.

    Alle vormen schrijf je hetzelfde, maar de verleden tijd en het deelwoord spreek je uit als 'red'.

  20. 20
    Front

    spreken

    Achterkant

    speak – spoke – spoken

    Have you ever spoken to her?

  21. 21
    Front

    beginnen

    Achterkant

    begin – began – begun

    The lesson began at nine.

  22. 22
    Front

    zwemmen

    Achterkant

    swim – swam – swum

    We swam in the lake.

  23. 23
    Front

    slapen

    Achterkant

    sleep – slept – slept

    I slept for ten hours.

  24. 24
    Front

    vergeten

    Achterkant

    forget – forgot – forgotten

    I forgot my gym clothes.

  25. 25
    Front

    kiezen

    Achterkant

    choose – chose – chosen

    Which book did you choose?

    Choose heeft dubbel o, chose maar één.

  26. 26
    Front

    breken

    Achterkant

    break – broke – broken

    He broke his arm playing football.

Zo gebruik je dit sjabloon

Deze set bevat 26 Engelse onregelmatige werkwoorden die je in de onderbouw van het voortgezet onderwijs steeds weer tegenkomt, zoals be, go, take en write. Op de voorkant staat het Nederlandse werkwoord. Op de achterkant vind je de drie vormen die je moet kennen: het hele werkwoord (infinitive), de verleden tijd (past simple) en het voltooid deelwoord (past participle), plus een korte voorbeeldzin. Bij lastige werkwoorden staat er nog een kleine tip onder, bijvoorbeeld over de uitspraak van read of het verschil tussen bought en brought. Je oefent dus de goede richting: vanuit het Nederlands moet je alle drie de vormen zelf ophalen, en dat is precies wat er bij een toets of in een gesprek van je gevraagd wordt. Gebruik de Studeermodus, dan komen kaartjes die je al goed kent minder vaak terug en kaartjes die je lastig vindt juist vaker. Dat heet gespreide herhaling (spaced repetition) en het werkt beter dan een lijst de avond voor de toets tien keer doorlezen. Liever op papier? Print dubbelzijdig, dan staat het antwoord precies achter de vraag.

Tips

  • Zeg de drie vormen elke keer hardop, als een vast ritme: go, went, gone. Zo onthoud je ze als één geheel.
  • Oefen elke dag tien minuten in plaats van één keer een uur; begin met de kaartjes die vandaag herhaald moeten worden.
  • Leg de kaartjes die je vaak fout hebt op een apart stapeltje en neem dat stapeltje nog één keer door voor je gaat slapen.
  • Zoek groepjes die op elkaar lijken, zoals drink, drank, drunk en swim, swam, swum, of think, thought en buy, bought.
  • Maak bij elk werkwoord een eigen zin over je eigen leven, bijvoorbeeld over [je vriend] of [je sport]; dat blijft beter hangen.
  • Draai de set om als je de voorkant goed kent: kijk naar de Engelse vormen en zeg wat het werkwoord in het Nederlands betekent.
  • Gebruik bij dubbelzijdig printen eerst één proefvel, zodat je weet of je printer langs de korte of de lange kant moet omslaan.

Laten passen

  • Voor groep 8 of de brugklas kun je beginnen met de eerste tien kaartjes en de rest later toevoegen.
  • Staat er een toets op het programma? Voeg de werkwoorden uit je eigen lesboek toe in hetzelfde formaat.
  • Voor havo of vwo in de bovenbouw kun je minder bekende werkwoorden toevoegen, zoals seek, sought, sought of forbid, forbade, forbidden.
  • Wil je ook de tijden oefenen? Zet op de achterkant een zin in de present perfect en een zin in de past simple, zodat je het verschil ziet.
  • Leer je Duits? Maak dezelfde soort set met sterke werkwoorden, zoals gehen, ging, gegangen.

Bijgewerkt op 28 oktober 2026