Franse woordjes leren: de basis
Flashcards met 26 basiswoorden Frans: voorkant het Nederlandse woord, achterkant het Franse woord met lidwoord, een voorbeeldzin en soms een tip. Handig voor de brugklas en de onderbouw.
Flashcardset26 kaartenBeginnerSchool
Flashcards met 26 veelgebruikte Engelse onregelmatige werkwoorden: voorkant het Nederlandse werkwoord, achterkant de drie vormen met een voorbeeldzin. Handig voor de onderbouw.
Gratis te gebruiken, bewerken, afdrukken en mee te leren. Geen account nodig: je set blijft op dit apparaat.
be – was/were – been
I was at home, but I have been to London twice.
Was bij I, he, she en it; were bij you, we en they.
have – had – had
We had pizza yesterday.
do – did – done
She did her homework after dinner.
go – went – gone
They went to the beach last summer.
Have been: je bent ergens geweest en weer terug; have gone: je bent er nog.
come – came – come
He came home late.
Het voltooid deelwoord is gelijk aan het hele werkwoord.
see – saw – seen
I saw a great film last week.
take – took – taken
Who took my pen?
give – gave – given
My aunt gave me a book.
make – made – made
We made a cake for her birthday.
say – said – said
He said nothing.
Said spreek je uit als 'sed'.
know – knew – known
I knew the answer.
De k spreek je niet uit.
think – thought – thought
I thought it was Monday.
buy – bought – bought
She bought new shoes.
Let op: bought (kopen) en brought (brengen) lijken op elkaar.
bring – brought – brought
Can you bring your laptop?
find – found – found
I found my keys under the sofa.
Vinden in de zin van een mening hebben is think, niet find.
eat – ate – eaten
We ate at a restaurant.
drink – drank – drunk
Have you drunk enough water today?
write – wrote – written
She has written three letters.
Written schrijf je met dubbel t.
read – read – read
I read that book last year.
Alle vormen schrijf je hetzelfde, maar de verleden tijd en het deelwoord spreek je uit als 'red'.
speak – spoke – spoken
Have you ever spoken to her?
begin – began – begun
The lesson began at nine.
swim – swam – swum
We swam in the lake.
sleep – slept – slept
I slept for ten hours.
forget – forgot – forgotten
I forgot my gym clothes.
choose – chose – chosen
Which book did you choose?
Choose heeft dubbel o, chose maar één.
break – broke – broken
He broke his arm playing football.
Deze set bevat 26 Engelse onregelmatige werkwoorden die je in de onderbouw van het voortgezet onderwijs steeds weer tegenkomt, zoals be, go, take en write. Op de voorkant staat het Nederlandse werkwoord. Op de achterkant vind je de drie vormen die je moet kennen: het hele werkwoord (infinitive), de verleden tijd (past simple) en het voltooid deelwoord (past participle), plus een korte voorbeeldzin. Bij lastige werkwoorden staat er nog een kleine tip onder, bijvoorbeeld over de uitspraak van read of het verschil tussen bought en brought. Je oefent dus de goede richting: vanuit het Nederlands moet je alle drie de vormen zelf ophalen, en dat is precies wat er bij een toets of in een gesprek van je gevraagd wordt. Gebruik de Studeermodus, dan komen kaartjes die je al goed kent minder vaak terug en kaartjes die je lastig vindt juist vaker. Dat heet gespreide herhaling (spaced repetition) en het werkt beter dan een lijst de avond voor de toets tien keer doorlezen. Liever op papier? Print dubbelzijdig, dan staat het antwoord precies achter de vraag.
Bijgewerkt op 28 oktober 2026