Presentatie11 kaartenOngeveer 5 min spreektijdBeginnerSchool
Boekbespreking presentatie voor school
Kaartjes voor een boekbespreking van ongeveer vijf minuten op de basisschool of de middelbare school: opening, het verhaal zonder spoilers, de hoofdpersoon, een fragment, je mening en vragen.
Ik koos dit boek omdat [reden: tip van een vriend, de kaft, een film, de bibliotheek].
3
Waar speelt het?
Plaats: [stad, land of verzonnen wereld]
Tijd: [nu, vroeger, in de toekomst]
Sfeer: [spannend, grappig, somber]
Laat een kaart, foto of tekening van de plek zien op [dia of poster].
4
Waar gaat het over?
Begin: [wie is de hoofdpersoon en wat is de situatie]
Probleem: [wat gaat er mis of wat moet er gebeuren]
Daarna: [één of twee belangrijke gebeurtenissen]
Het einde verklap ik niet, want misschien wil je het zelf lezen.
5
De hoofdpersoon
Naam en leeftijd: [naam], [leeftijd]
Drie woorden die bij [naam] passen: [woord 1], [woord 2], [woord 3]
Wat [naam] wil: [doel]
Hoe [naam] verandert: eerst [zo], later [zo]
6
Andere belangrijke personen
[Naam]: [rol, bijvoorbeeld beste vriend of tegenstander]
[Naam]: [rol]
Wie ik het leukst vond en waarom: [personage], omdat [reden].
7
Mijn favoriete stukje
Ik lees een kort stukje voor van bladzijde [nummer].
Wat er net daarvoor gebeurt: [korte uitleg]
Lees langzaam en kijk na elke zin even op
Ik koos dit stukje omdat [het spannend, grappig of ontroerend is].
8
Waar gaat het eigenlijk over?
Het thema in één zin: het boek gaat over [vriendschap, moed, opgroeien, verlies].
Dat zie je als [voorbeeld uit het verhaal].
Wat ik ervan heb geleerd: [les of gedachte].
9
Mijn mening
Wat ik goed vond: [punt], want [reden]
Wat ik minder goed vond: [punt], want [reden]
Moeilijk of makkelijk te lezen? [antwoord], omdat [reden]
Mijn cijfer: [cijfer], omdat [korte uitleg].
10
Voor wie is dit boek?
Leuk voor iedereen die van [soort verhalen] houdt
Leeftijd: vanaf ongeveer [leeftijd]
Lijkt op: [ander boek of film]
Het boek ligt [in de klassenbibliotheek, in de bieb].
11
Slot en vragen
Samengevat: [titel] is een [genre]-boek over [onderwerp], en ik vond het [oordeel].
Bedankt voor het luisteren! Zijn er vragen?
Verwachte vraag: [vraag] – antwoord: [kernwoord]
Weet ik het niet? Dat staat niet in het boek, maar ik denk dat…
Zo gebruik je dit sjabloon
Met dit sjabloon maak je een boekbespreking of boekpresentatie van ongeveer vijf minuten, bijvoorbeeld in groep 7 of 8, in de brugklas of in de onderbouw van vmbo, havo of vwo. Op school heet het soms een boekbespreking, soms een boekverslag dat je presenteert, en soms een boekenkring; de opbouw is bijna altijd hetzelfde. Je begint met iets wat de aandacht trekt, geeft de belangrijkste gegevens van het boek, vertelt waar en wanneer het verhaal speelt en waar het over gaat zonder het einde te verklappen. Daarna stel je de hoofdpersoon en andere belangrijke personen voor, lees je een kort stukje voor, leg je uit wat het thema is en geef je je mening met argumenten. Je sluit af met een korte samenvatting en ruimte voor vragen. Op de plekken met [vierkante haken] vul je je eigen boek in. Schrijf op elk kaartje alleen steekwoorden en een paar zinnen die je letterlijk wilt zeggen, zoals je eerste en laatste zin. Vraag je leraar of er een beoordelingsformulier is, dan kun je controleren of alle onderdelen erin staan.
Tips
Neem het boek zelf mee; een echte kaft in je hand werkt beter dan alleen een plaatje op het bord.
Kies een voorleesfragment van hooguit een halve bladzijde en oefen het hardop, zodat je niet hoeft te haperen.
Verklap het einde niet; zeg liever dat de klas het zelf moet lezen, dan blijven ze nieuwsgierig.
Een mening is pas sterk met een reden: zeg niet alleen dat het boek leuk of saai was, maar ook waarom.
Oefen je presentatie minstens twee keer met een timer, zodat je weet of je binnen vijf minuten blijft.
Kijk de klas aan tijdens het praten en kijk alleen naar je kaartje als je het volgende steekwoord nodig hebt.
Nummer je kaartjes en leg het kaartje met je opening bovenop, want de eerste zin is vaak het spannendst.
Laten passen
Heb je maar drie minuten? Sla de kaartjes over de plek en de andere personen over en houd het voorleesstukje kort.
Mag je langer praten? Vertel iets over de schrijver, bijvoorbeeld welke andere boeken die heeft geschreven, of vergelijk het boek met de film.
Voor een boekbespreking in de bovenbouw kun je vakbegrippen toevoegen, zoals vertelperspectief, motief en open of gesloten einde.
Bespreek je een informatief boek? Vervang het verhaal door de drie belangrijkste dingen die je hebt geleerd.
Moet je een Engels of Duits boek bespreken? Gebruik dezelfde kaartjes, maar schrijf de steekwoorden in die taal.
Presenteer je online? Zet de kaft in beeld voor je camera en houd je kaartjes net onder de lens.